| |
 |
 Welcome
Persoonlijk | Fairytale
|
29 Augustus 2006 | 13:07:10
 |
|
Hier vindt u alleen sprookjes. Foto's, mooie plaatjes en vooral verhalen. Deze wereld bevalt mij prima. Ver weg van de werkelijkheid, van alles wat onprettig is. Een droomwereld waar je je even terug kunt trekken zonder verantwoording af te hoeven leggen.
Ik wens u een zeer ontspannen en aangename tijd in deze sprookjeswereld.
|
|
|
 |
 Het Leven
Spiritualiteit | Sprookje
|
19 April 2007 | 13:04:39
 |
Verwijt het leven niet dat het waardeloos lijkt. Met sprookjesogen zie je een wereld vol wonderen.
|
|
|
 |
 De zalm en de roodbaars
Natuur | Sprookje
|
20 Maart 2007 | 22:20:03
 |
De zalm en de roodbaars
Een fabel uit Lapland over zelfingenomen zijn
 Hoog in het Noorden, in het ijzige Lapland, begon het lente te worden. De sneeuw smolt weg, het groen kwam weer te voorschijn en ook het ijs op de rivieren begon te breken. Voor de zalm was nu de tijd aangebroken om eitjes te gaan leggen. Nu kon hij dit niet zomaar overal doen. Hij had daar het helderste en zuiverste water voor nodig. En dus zwom de zalm kilometers ver stroomopwaarts de Tana-rivier op, naar waar hij wist dat er een waterval was.
Moe, maar voldaan bereikte de zalm na dagen de waterval. Over de hele breedte van de rivier stortte het water zich bruisend naar beneden. Prachtig water was het, helder en schoon. Het was alsof het zo uit de hemel kwam, zo zuiver. Tevreden zocht de zalm een rustig plaatsje, waar straks uit het kuit de jonge visjes geboren konden worden.
Toen hij zo nog wat uitrustte van de lange reis, kwam er een roodbaars naar hem toe zwemmen. De zalm, die een trotse vis was - wie immers was zo sterk en kon zo snel zwemmen als hij? - keek de roodbaars vanuit de hoogte aan en vroeg: "Zeg, wat ben jij eigenlijk voor een vis? Nooit gezien." De roodbaars antwoordde: "Dat kan best, hoor. Ik ben ook geen alledaagse vis. Ik zwem in de zee. Ik ben een roodbaars."
"Nooit van gehoord!" snierde de zalm. "Dat dacht ik al. Zalmen mogen dan veel praatjes hebben, maar zij weten lang niet alles," ketste de roodbaars terug. "Kijk," vervolgde hij, "ik ben familie van de zoetwaterbaars. Maar mijn stekels zijn nog veel scherper, wel zo scherp als naalden." En meteen prikte hij de zalm heel venijnig in de zij.
"Au! Dat doet pijn!" riep de zalm geschrokken. "Wat kom je hier eigenlijk doen. Je hebt hier niets te maken. Ga toch terug naar waar je thuishoort! Ik heb je toch niet gevraagd...?"
"We leven anders in een vrij land," meende de roodbaars. "Ik kan gaan en staan waar ik wil."
"Ach, man," begon de zalm weer. "Het is hier veel te koud voor zo’n magere vis als jij. Alleen als je goed in je vet zit, zoals ik, kan je het hier in de kou uithouden."
"Toch heb ik meer vet in mijn kop dan menige Lap in zijn voorraadkast bewaart," antwoordde de baars, zeker van zichzelf. "Weet jij wat wij eens moeten doen?" vervolgde hij. "Wij moesten eens om het hardst gaan zwemmen. Jij bent toch zo’n vlugge? Wie het hoogst tegen de waterval op kan komen!"
De zalm haalde minachtend zijn schouders op. Wat wilde die roodbaars? Het tegen hem opnemen? Laat me niet lachen, dacht de zalm, die zich niet verwaardigde om antwoord te geven. Daarop prikte de roodbaars hem opnieuw, ditmaal aan de andere kant.
"Nou? Wat zeg je ervan? Zullen we?" drong de roodbaars aan.
Als hij niet weer geprikt wilde worden, zat er voor de zalm weinig anders op dan maar in te stemmen. Beide vissen maakten zich klaar voor de wedstrijd. De zalm zwom wat terug om een goede aanloop te kunnen nemen. Met alle kracht moest hij tegen het vallende water in zwemmen. Een, twee... Daar ging hij. Als een pijl schoot hij door het water.
De roodbaars had rustig afgewacht. Toen de zalm hem passeerde pakte hij deze plotseling bij de staart en samen snelden zij naar boven. Op het moment dat de zalm het hoogste punt van de waterval bereikte, keerde hij razendsnel om met het hoofd naar beneden weer omlaag te duiken. En toen riep de roodbaars, die nog altijd aan zijn staart hing: "Kijk eens om! Zie je wel, dat ik veel hoger gekomen ben dan jij? En jij wou nog wel met mij om het hoogst zwemmen? Als je mij nu nog niet kent: ik ben een roodbaars en... ik heb van jou gewonnen!"
Daarop prikte de roodbaars de zalm nog een keer met een van zijn scherpe stekels. Beschaamd ging de zalm er vandoor.
|
|
|
 |
 Lentegedicht
Natuur | Fairytale
|
13 Maart 2007 | 21:36:15
 |
Lentegedicht
Daar vliegt plotseling omhoog
in helder blauwe morgenlucht
geschrokken van mijn stap
een vogel zachtjes, vederlicht; ik zucht
de zon die door het druppelend water schijnt
en kijk weemoedig deze vluchteling na
die klapwiekend uit mijn oog verdwijnt
uiteindelijk landt op prachtige regenboog
In jonge struiken die boskantig
mijn voelend zien verbergen
hoor ik plots heldere klanken zingen;
aan eerder stille waterplas
begint het leven te bewegen
en zie ik padden bronstig springen
Mijn hart voelt lentewarm
als ik reik hongerend mijn hand
naar levensstromen die weer vloeien;
ik droom de wolken boven mij
die wit en teer nu overspoelen
het nieuwe frisse groene land
dat zich snel haast naar mei
met ’t eerste weelderige bloeien
In zachte kleuren van pastel
waarin paasbloemen, krokussen getooid
heeft lente eindelijk natuur ontdooid.

Bron: Sunset
|
|
|
 |
 De leeuwin en haar welpje
Kinderen | Sprookje
|
02 Februari 2007 | 23:30:11
 |
Het sprookje van de leeuwin en haar welpje
Er was eens een leeuwin die een welpje had waar ze erg veel van hield. Ze gaf hem vaak goede raad en zo zei ze tegen hem: "Mijn zoon, pas goed op voor de mens. Kom er niet te dicht bij en ga niet daar waar hij ook is, want je bent wel een geduchte leeuw, maar de mens is nog veel ontzagwekkender dan wij. Hoewel God hem zwakker heeft geschapen dan ons, heeft hij hem intelligentie en ideeën gegeven die ons te boven gaan; wat wij ook doen, hij is ons de baas."

Maar het jong van de leeuwin wilde niet accepteren wat zijn moeder zei. Hij zag zichzelf al als een sterke leeuw, ook al was hij nog jong. Hij popelde om zijn krachten te beproeven en hij was altijd op een vechtpartijtje uit. Hij sprak tegen zichzelf: "Wat wil dat alles zeggen? Mijn moeder lijkt wel gek! Iedereen waarschuwt zijn nageslacht voor wat groter en sterker is. Zij geeft mij goede raadgevingen over de mens die minder sterk en kleiner is dan ik. Nou, ik heb er nog nooit een gezien en ik ken er geen, ik moet op zoek gaan tot ik hem vind, en dan zal ik hem beleefd vragen met mij te vechten."
Het leeuwe-welpje ging dus op zoek naar de mens. Hij ontmoette eerst de dieren. De eerste was het paard. Hij vroeg aan hem: "Neem mij niet kwalijk, maar ben jij de mens?" Het paard antwoordde: "Ik ben de mens niet... zie je, ik ben langer dan jij. Wanneer de mens komt stopt hij me het bit in de mond, gooit het zadel over mijn rug, klimt boven op me, geeft me flink de sporen in m'n zij en dan moet ik wel hard lopen."

Het leeuwtje vroeg: "Hoe lang is hij dan, die mens?" - "Hij komt zo ongeveer ter hoogte van mijn achterbeen, niet meer," antwoordde het paard. "Dan ga ik hem opeten, en doden zodat jullie van hem af zijn." Daarna kwam hij de ezel tegen, die hem zei: "De mens is gemeen!" Vervolgens ontmoette hij de kameel en ondervroeg ook hem. De kameel sprak: "Zie je wel hoe groot ik ben en hoe belangrijk? Stel voor dat hij me bij de hals vangt, me op de grond laat zitten, aan beide kanten van mijn rug twee zakken van tweehonderd kilo oplaadt en er ook nog zelf opklimt. Wanneer ik loop en een weg baan door landen waar geen einde aan komt en bergen van zand, dan haalt hij zijn fluit te voorschijn en begint te fluiten en te zingen en ik, ik loop door. Wanneer ik moe word en een beetje langzamer ga lopen dan pakt hij een grote stok. Hij slaat dan hard tegen mijn bovenbenen en ik moet wel hard lopen. Als je hem ergens tegenkomt, maak dan dat je weg komt!"

Het leeuwtje vroeg: "Hoe groot is hij, die man?" - "Zo groot als mijn achterbeen, niet groter." Het leeuwtje brieste: "Ik weet het goed gemaakt, ik ga hem verslinden!" - "Jij gaat hem opeten?" zei de kameel. "Wat ons aangaat is hij degene die ons opeet. Als je hem ziet, maak dan dat je wegkomt, blijf niet bij hem in de buurt." - "Ik moet hem nodig zien," zei de leeuw.
Hij vertrok dus weer en zette zijn speurtocht voort. Hij kwam de hond tegen van een man die terpentijnbomen omzaagde en er dienbladen van maakte. Toen hij de hond zag, zei hij: "Ik zou je graag een vraag willen stellen. Ben jij de mens?" - "Nou, niet precies," zei de hond, "maar ik ben zijn vriend, zijn makker. Mijn baas is een man die me te eten geeft en te drinken. Als je wilt, dan zal ik je bij mijn meester brengen." De leeuw antwoordde: "Je zou me een groot plezier doen wanneer je me bij hem brengt; ik zou hem willen begroeten en met hem willen praten." De hond zei: "Probeer ernstig te zijn in zijn aanwezigheid, wanneer je goed ontvangen wil worden." - "Afgesproken," antwoordde de leeuwe-welp.
De hond ging op weg naar zijn meester en liep voor de leeuw uit, die hem volgde. Bij zijn meester aangekomen, zei hij: "Ik breng je een gast die jou wil begroeten." De leeuw zei tegen de mens: "Gegroet, o mens." De man antwoordde de leeuw: "Ik ben de mens niet. De mens is daarginds." De leeuw zei: "Laat mij hem zien, alsjeblieft." De man zei tegen de leeuw: "Ik ben bezig met een moeilijk karwei. Als je wilt help mij dan om het snel af te maken en ik zal je erheen brengen. Maar waarom zoek je eigenlijk naar de mens?"
"Ik wil hem opeten," antwoordde hij. "Hij maakt ons allemaal het leven onmogelijk, maar zeg het niet tegen hem wanneer je me bij hem brengt." De man antwoordde: "Nou goed, maar je moet me wel helpen zodat we er snel heen kunnen gaan." De leeuw zei: "Zeg mij wat ik moet doen." De man sprak: "Ik zal het je dadelijk zeggen."
Nu was er nog een stronk van een boom overgebleven. De man had er met zijn bijl een spleet in geslagen. Zo lag de stronk open en de man zei tegen de leeuw: "Stop alle vier je poten hier in deze gleuf, zodat ik het hout op een andere plaats kan splijten." Zo stopte de leeuw al zijn poten stevig in de spleet. De man tilde zijn bijl op en de stronk knelde de poten van de leeuw vast zodat hij ze niet meer kon terugtrekken. Hij begon te schreeuwen: "Mijn poten zullen gebroken worden!"

Hij riep maar door en de man ging weg om een onbreekbare, stevige stok te snijden. Toen hij weer terugkwam zei hij: "Zoek jij de mens om hem op te eten?" De leeuw zei: "Op dit moment hou ik me alleen met mezelf bezig: ik ben gevangen door die boom." De man tilde zijn stok hoog op, sloeg de leeuw op de rug en zei: "Wat wilde jij de mens aandoen? Ik ben het, de mens! Ik moet je keel afsnijden en je vlees proeven, ik heb nog nooit eerder leeuwevlees gegeten."
Het leeuwtje begon te huilen, te schreeuwen en smeekte de man. "Laat me toch vertrekken alsjeblieft! Mijn moeder had me aangeraden niet in de buurt te komen van de mens. Ik heb haar niet gehoorzaamd. Ik dacht dat ik sterker was dan hij. Doe mij een groot plezier en, in 's hemelsnaam, laat me gaan!"
"Ik zal je een pleziertje doen: ik zal je niet de keel afsnijden, maar ik ga je in mootjes hakken!" Toen gaf de man hem zo'n pak rammel dat hij hem bijna tot moes sloeg en daarna liet hij hem gaan. De leeuw ging weg en strompelend en huilend kwam hij bij zijn moeder aan. Die zei tegen hem: "Dit is je verdiende loon. Waarom heb je niet geloofd wat ik tegen je zei?"
Zijn rnoeder gaf hem toen medicijnen en verzorgde hem goed. Hij knapte weer op en vergat alles wat hij aan slaag had gekregen toen hij in handen van de mens was gevallen. Op een dag verzamelde hij al zijn neven om zich heen en zei tegen hen: "We moeten allemaal tegelijk de mens bespringen en hem verslinden. Laten wij ons van hem bevrijden!"

Zo gingen ze allen op weg naar de mens. Die zag al van verre de geweldige horde leeuwen aankomen. Hij klom in de top van een boom. De leeuwen ontdekten de man daar op een tak, boven in de boom. Ze dachten diep na en overlegden hoe zij hem konden vangen. De leeuw die het pak slaag had gekregen zei: "Ik zal jullie goede raad geven: we moeten boven op elkaar gaan staan en zo kunnen we hem te pakken nemen. Maar ik ben de sterkste van jullie allen, ik moet dus onderaan staan en zo zal ik jullie dragen."
Ze klommen boven op elkaar. Ze hadden de man bijna bereikt, toen deze in de onderste leeuw degene herkende die hij had geslagen. Hij riep: "Breng mij de stok, zodat ik de leeuwen een pak rammel kan geven. Ze zijn juist bij me aangekomen."
Toen de onderste leeuw dat hoorde, maakte hij zich snel los en ging er van door. De anderen vielen door en over elkaar en doodsbang sloegen ze op de vlucht. Ze zeiden tegen hun bondgenoot: "Waarom ben je ervandoor gegaan? Je hebt ons laten vallen." Hij antwoordde: "Ik wilde niet dat jullie evenveel stokslagen zouden krijgen als ik ooit heb gehad. Wanneer hij eenmaal met de stok gaat werken, berg je dan maar. Ik dacht aan degene die bovenop stond. Als hij hem te pakken had gekregen had hij moes van hem gemaakt. We moeten ons, beste neven, uit de voeten maken wanneer we ergens de mens zien en niet te dicht bij hem komen!"
Dit verhaal is bedoelt voor ieder die zich, ondanks waarschuwingen van zijn ouders, niet aan hun goede raad houdt. Het zal hem net zo vergaan.
|
|
|
 |
 Aladin en de Toverlamp
Verhaal | Sprookje
|
08 Januari 2007 | 23:34:16
 |
Aladin en de wonderlamp

Lang geleden leefde er eens een jongeman die alleen nog zijn moeder had. Aladin was een aardige jongen, maar wel erg lui. Hij liet zijn moeder de kost verdienen terwijl hijzelf lekker lang uitsliep en een beetje in de stad rond slenterde. Op een dag ontmoette hij een man die beweerde zijn oom te zijn. Aladin en zijn moeder hadden nooit geweten dat de gestorven vader een broer zou hebben gehad, maar omdat de vreemdeling goed eten bestelde én betaalde, wilden zij hem wel geloven. De oom bood aan om van Aladin een koopman te maken en daar voelde de jongen wel wat voor, vooral toen hij mooie nieuwe kleren kreeg en het vooruitzicht om verre reizen te maken. Op een dag vertrokken zij. Na een flink eind reizen kwamen zij aan op een kale vlakte. Hier moest Aladin zijn oom, die eigenlijk een boze tovenaar was, helpen een rotsblok opzij te duwen. Er onder bleek zich een trap te bevinden. "Blijf overal af", zei de oom, "Het enige dat je mee naar boven hoeft te nemen, is een lampje". De jongen deed zoals hem gezegd was maar toen hij terug kwam met de lamp, wilde de oom hem er niet uit laten. Eerst wilde hij de lamp. Toen Aladin dit weigerde, rolde de tovenaar de grote steen over de opening van de trap en ging weg.
Aladin bleef alleen in het donker achter. Hij bedacht dat hij de lamp wel kon aansteken maar toen hij over de lamp streek, verscheen er ineens een geest die voor hem boog en vroeg: "Wat wenst u, meester?" Toen de jongen van de schrik was bekomen vroeg hij de geest hem zo snel mogelijk terug te brengen naar zijn moeder, maar wel pas nádat hij zijn zakken had volgestopt met allerlei kostbaarheden die in de ondergrondse ruimte lagen opgeslagen. Vanaf dat moment ging het een stuk beter met Aladin en zijn moeder!
Op een dag liet de sultan van het land bekend maken dat zijn dochter door de stad zou rijden in haar rijtuig. Nu was het voor de gewone mensen absoluut verboden om naar de prinses te kijken, en dus moest iedereen binnen blijven op het uur dat zij voorbij zou komen, maar Aladin verstopte zich. Hij zag de prinses maar héél even, maar hij was op slag tot over zijn oren verliefd op haar… Nu liet hij zijn moeder naar de sultan gaan om voor hem de prinses tot vrouw te vragen. Het was natuurlijk ongehoord dat de prinses zou trouwen met een gewone jongen uit het volk maar toen de sultan de geschenken zag die de moeder had meegenomen, werd hij nieuwsgierig. "Als uw zoon in één nacht een paleis kan bouwen, mag hij met mijn dochter trouwen", zei hij. Aladin gaf de geest van de lamp opdracht om het paleis te bouwen en al gauw werd dan ook de bruiloft gevierd.

De boze tovenaar hoorde intussen hoe het zijn ‘neef’ was vergaan. Hij vermomde zich als lampenverkoper en op een dag dat Aladin niet thuis was bood hij een dienstmeisje uit het paleis aan het oude lampje te ruilen voor een nieuwe. Het dienstmeisje wist natuurlijk niets van de geest van de lamp, en dacht dat zij een goede ruil had gedaan. Zodra de tovenaar de wonderlamp weer in handen had, riep hij de geest op en liet hem het paleis mét de prinses én zichzelf naar een ver oord verplaatsen. Toen Aladin terugkwam en zag dat het paleis was verdwenen, begreep hij al gauw wat er gebeurd was en ging op zoek naar zijn vrouw. Na een lange reis vond hij het paleis en sloop naar binnen. Zijn vrouw was erg blij hem te zien en vertelde hem dat de tovenaar de lamp altijd bij zich droeg. Die avond gaf ze hem een slaapdrank te drinken en toen de tovenaar in slaap was gevallen, kwam Aladin tevoorschijn. Ze namen de lamp en riepen de geest op. Deze bracht de tovenaar naar een onbewoond eiland aan de andere kant van de wereld, en daar zit hij nu waarschijnlijk nog steeds. Aladin en de prinses werden met het paleis teruggebracht naar de stad, en daar leefden zij nog lang en gelukkig.
|
|
|
 |
 Toveren met glas
Design | Workshop
|
28 December 2006 | 15:04:33
 |
"Toveren met glas"
workshop glasmozaïek
Glasmozaïeken lijkt misschien ingewikkeld, maar dat is het niet. Met het juiste gereedschap en een beetje geduld kan iedereen iets moois maken. Samen met Atelier 'De Hooischuur' maakt u een ontwerp en zoekt u de beste kleurcombinaties. Glasmozaïek is er in de prachtigste kleuren. Leuke bijkomstigheid, het is vorstbestendig dus ook geschikt voor buiten. U werkt met glastegeltejs van 2 bij 2 cm en met glasplaten die u zelf in vorm knipt. Bij deze workshop kunt u kiezen wat u gaat maken: een olielampje, een elektrische lamp, een spiegel, een schaal of een heksenbol.
Atelier De Hooischuur is gevestigd in De Rijp in Noord-Holland (omgevng Purmerend, vanaf de snelweg gemakkelijk te bereiken).
Er zijn twee atelierruimtes met een gezellige koffiehoek in de sfeer van een bruin café. Er wordt gewerkt aan grote tafels met gemakkelijk zittende stoelen.
Info en reservering
U kunt zich aanmelden voor deze workshop via (0299) 679794 of
adres: De Volger 25, 1483 GA De Rijp
Data:
Donderdag 11, Zaterdag 13, woensdag 24 en zaterdag 27 januari
en
Zaterdag 3, zaterdag 10, woensdag 14 en donderdag 22 februari
Tijden:
De workshop duurt van 11.00 tot 17.00 uur
De prijs is 50 euro per persoon
lezers van ZIN betalen 42,50
Inclusief:
Professionele begeleiding,
Materiaal
Gebruik van gereedschap
Koffie/thee met wat lekkers
een heerlijke lunch
|
|
|
 |
 Het kerstverhaal
Feestdagen | Kerstmis
|
23 December 2006 | 23:30:00
 |
.gif)
Het kerstverhaal uit de nieuwe bijbelvertaling
LUCAS 1:26-38 EN 2:1-21
AANKONDIGING VAN DE GEBOORTE VAN JEZUS
In de zesde maand zond God de engel Gabriël naar de stad Nazaret in Galilea, naar een meisje dat was uitgehuwelijkt aan een man die Jozef heette, een afstammeling van David. Het meisje heette Maria. Gabriël ging haar huis binnen en zei: "Gegroet Maria, je bent begenadigd, de Heer is met je." Ze schrok hevig bij het horen van zijn woorden en vroeg zich af wat die begroeting te betekenen had. Maar de engel zei tegen haar: "Wees niet bang, Maria, God heeft je zijn gunst geschonken. Luister, je zult zwanger worden en een zoon baren, en je moet hem Jezus noemen. Hij zal een groot man worden en Zoon van de Allerhoogste worden genoemd, en God, de Heer, zal hem de troon van zijn vader David geven. Tot in eeuwigheid zal hij koning zijn over het volk van Jakob, en aan zijn koningschap zal geen einde komen."
Maria vroeg aan de engel: "Hoe zal dat gebeuren? Ik heb immers nog nooit gemeenschap met een man gehad." De engel antwoordde: "De heilige Geest zal over je komen en de kracht van de Allerhoogste zal je als een schaduw bedekken. Daarom zal het kind dat geboren wordt, heilig worden genoemd en Zoon van God. Luister, ook je familielid Elisabet is zwanger van een zoon, ondanks haar hoge leeftijd. Ze is nu, ook al hield men haar voor onvruchtbaar, in de zesde maand van haar zwangerschap, want voor God is niets onmogelijk." Maria zei: "De Heer wil ik dienen: laat er met mij gebeuren wat u hebt gezegd." Daarna liet de engel haar weer alleen.
DE GEBOORTE VAN JEZUS
In die tijd kondigde keizer Augustus een decreet af dat alle inwoners van het rijk zich moesten laten inschrijven. Deze eerste volkstelling vond plaats tijdens het bewind van Quirinius over Syrië. Iedereen ging op weg om zich te laten inschrijven, ieder naar de plaats waar hij vandaan kwam. Jozef ging van de stad Nazaret in Galilea naar Judea, naar de stad van David die Betlehem heet, aangezien hij van David afstamde, om zich te laten inschrijven samen met Maria, zijn aanstaande vrouw, die zwanger was. Terwijl ze daar waren, brak de dag van haar bevalling aan, en ze bracht een zoon ter wereld, haar eerstgeborene. Ze wikkelde hem in een doek en legde hem in een voederbak, omdat er voor hen geen plaats was in het nachtverblijf van de stad.
Niet ver daarvandaan brachten herders de nacht door in het veld, ze hielden de wacht bij hun kudde. Opeens stond er een engel van de Heer bij hen en werden ze omgeven door het stralende licht van de Heer, zodat ze hevig schrokken. De engel zei tegen hen: "Wees niet bang, want ik kom jullie goed nieuws brengen, dat het hele volk met grote vreugde zal vervullen: vandaag is in de stad van David voor jullie een redder geboren. Hij is de messias, de messias, de Heer. Dit zal voor jullie het teken zijn: jullie zullen een pasgeboren kind vinden dat in een doek gewikkeld in een voederbak ligt." En plotseling voegde zich bij de engel een groot hemels leger dat God prees met de woorden: "Eer aan God in de hoogste hemel en vrede op aarde voor alle mensen die hij liefheeft."
Toen de engelen waren teruggegaan naar de hemel, zeiden de herders tegen elkaar: "Laten we naar Betlehem gaan om met eigen ogen te zien wat er gebeurd is en wat de Heer ons bekend heeft gemaakt." Ze gingen meteen op weg, en troffen Maria aan en Jozef en het kind dat in de voederbak lag. Toen ze het kind zagen, vertelden ze wat hun over dat kind was gezegd. Allen die het hoorden stonden verbaasd over wat de herders tegen hen zeiden, maar Maria bewaarde al deze woorden in haar hart en bleef erover nadenken. De herders gingen terug, terwijl ze God loofden en prezen om alles wat ze gehoord en gezien hadden, precies zoals het hun was gezegd. Toen er acht dagen verstreken waren en hij besneden zou worden, kreeg hij de naam Jezus, die de engel had genoemd nog voordat hij in de schoot van zijn moeder was ontvangen. |
|
|
|
|
|